Zoek de feitelijke waarneming bij een oordeel of een interpretatie.

Oordeel of Interpretatie

Tegen je buurman: “Je sloeg gisteren zonder reden je zoon.”
Tegen je baas: “Je denkt alleen maar aan jezelf.”
Tegen Jacqueline: “Je bent onbeleefd tegen de klanten.”
Tegen je moeder: “Je dringt je altijd op.”
Tegen je collega John: “Je weegt te veel voor je lengte.”

Feitelijke waarneming

“Ik kan me niet herinneren dat je uit eigen initiatief eens gevraagd hebt hoe ik een situatie zou aanpakken.”
“Als ik je zie, dan bedenk ik mij dat je meer weegt dan ik denk dat voor jou gezond is.”
“Ik hoorde je tegen een klant zeggen dat je niet kunt toveren. Als ik je klanten zie begroeten, dan ben je minder hartelijk dan ik het graag zou hebben. Je kijkt hen niet aan en zegt geen goeiedag.”
“Je zegt me dat ik een stuk taart voor thuis moet meenemen. Als ik je zeg dat ik daar geen zin in heb, stop je het in mijn handen en zeg je dat ik naar je moet leren luisteren.”
“Ik zag je gisteren jouw zoon slaan nadat hij een bal uit een plas water had opgeraapt.”
  1. 1
  2. 2